Centrum voor Systemisch Werk

 


Interview met Enamaria Weber-Boch

Ena, op 7 & 8 maart a.s. kunnen we nader kennis nemen van je werkwijze tijdens het seminar Uit huis en toch verbonden.
Van een aantal geïnteresseerden hebben we vragen gekregen over je werk, die we graag  aan je willen voorleggen.

Wil je uitleggen wat jouw wijze van diagnosticeren inhoudt?

Ena: Mijn diagnostiek is geen psychodiagnostiek en ook geen psychiatrische diagnostiek. Dat laat ik over aan mensen wiens vakgebied dat is. Als sociaalpedagoge heb ik me vooral gericht op het gebied van de onderlinge relaties en interacties, bindingen en stoornissen op dat gebied. Toen ik met dit werk begon werd ik vooral gedreven door de wens om werkelijk iets te kunnen betekenen voor kinderen in moeilijke opvoedingssituaties. We hebben op basis daarvan een aantal pedagogische concepten ontwikkeld. Een belangrijk onderdeel daarvan vormt onze systeempedagogische diagnostiek. Zij maakt het formuleren van werkhypothesen en een doelgerichte werkwijze mogelijk. Want ik ben van mening dat zonder het fundament van een doeltreffende diagnostiek en werkhypothesen het sociaal-pedagogische werk sterk aan kracht en werkzaamheid verliest.

Hoe is dat zo ontstaan?

Ena: In ons sociaal-pedagogisch concept is de houding van een open en grootmoedig hart, wat mijn grootmoeder mij heeft voorgeleefd, een essentieel bestanddeel. Ik voel me daarin gesteund door de japanse monnik, dr. Mikado Usui, die Reiki, een oeroude ontspannings- en heelmethode tegen het eind van de 19e eeuw herontdekte. Nadat ik me deze werkwijze meer eigen had gemaakt begon ik het lot van de opgenomen kinderen zo te zien en te erkennen, zoals het was en heb meer en meer afscheid genomen van waarderingen en oordelen. Ik had begrepen dat het indelen van mensen in “goede” en “slechte” heel veel leed veroorzaakt en geen oplossingen biedt.
In die tijd kwam ik ook de psychotherapeut en filosoof Bert Hellinger tegen en ontdekte bij hem de houding van het open hart in verbinding met een systeem-fenomenologisch uitgangspunt. Zijn verdienste is het dat hij de methode van de familieopstellingen heeft ontwikkeld, waarin hij zich o.a. heeft gebaseerd op het werk van Moreno [psychodrama] en Virginia Satir [ familiesculpturen]. Met zijn methode van de familieopstellingen heeft Hellinger de basis gelegd voor het veelzijdig, creatief en systemisch werken met opstellingen.

Kun je iets vertellen over de manier waarop jij systemische diagnostiek toepast?

Ena: Voor de systemische diagnostiek maak ik gebruik van systemische opstellingen. Binnen onze organisatie neemt deze werkwijze een centrale plek in. In ons werk hanteren we een sociaal-pedagogisch concept. Wij betrekken daarbij aspecten uit de bindingstheorie en systeemtheoretische uitgangspunten. De systemische diagnostiek zoals wij die hanteren heb ik zelf vanuit de praktijk ontwikkeld en getoetst. Ongeveer één keer per maand hebben we een opstellingendag. Pedagogisch medewerkers, ouderbegeleiders, sociale families en therapeuten brengen de situatie van een kind in. We stellen dan datgene op wat in deze situatie voor het kind belangrijk is, meestal de sociale familie bij wie het kind woont, de eigen ouders van het kind en het kind zelf. In de regel stelt diegene bij wie het kind woont, pedagogisch medewerker of sociale ouder op. Uit de groep van aanwezige personen worden representanten gevraagd en in de ruimte opgesteld. Uit het beeld wat dan zichtbaar wordt, is al veel af te lezen over bijvoorbeeld waar het kind staat in het nieuwe systeem ten opzichte van zijn oorspronkelijk systeem. Ook wordt zichtbaar welke thema’s en dynamieken er spelen.

We gebruiken de diagnostische opstellingen om te onderzoeken hoe het kind verbonden is met zijn systeem van oorsprong, welke storingen in de binding er zijn, of en welke verstoring er is in de ordening, d.w.z. staat het kind op zijn kindplek of op een ouderplek en hoe staan de ouders ten opzichte van het kind. Uit inzichten die verkregen zijn door middel van de systemische diagnostiek ontwikkelen we werkhypothesen. Deze zijn voor ons de leidraad voor het werken met het kind en de systemen waar het deel van uitmaakt. De diagnostiek is pedagogisch georiënteerd, zodat de uitkomsten praktisch en concreet omgezet kunnen worden in de begeleiding en opvoeding van het kind. Door middel van ouderbegeleiding betrekken we ook de ouders erbij en proberen hen gevoelig te maken voor de thema’s die bij het kind spelen.

Betrek je de ouders ook daadwerkelijk bij zo’n opstelling?

Ena: dat gebeurt alleen incidenteel en uitsluitend op wens van de ouders. Ik kijk altijd eerst wat de draagkracht is van de ouders. De meeste ouders dragen zware lasten of traumata met zich mee. Dat mag je niet zomaar blootleggen. Een opstelling zou zonder dat zij dat willen datgene aan het licht kunnen brengen wat aan de basis ligt van hun problemen. Hier moet uitermate zorgvuldig mee worden omgegaan anders kan het leiden tot re-taumatiseringen. Ik heb een keer een situatie meegemaakt waarbij een moeder de vraag inbracht om te kijken naar de relatie tussen haar en haar 9 jarige dochter die enige tijd uithuis was geplaatst en intussen weer thuis woonde. Het ging goed thuis, maar moeder vroeg zich af of haar dochter nog van haar hield. Ook wilde zij zien wat nodig zou zijn om samen met haar dochter en nieuwe partner een goed en stabiel gezin te vormen. De vrouw maakte een stabiele en assertieve indruk . De opstelling liet zien dat het kind de binding met moeder aankon en bereid was om te geven maar dat de moeder deze liefde niet kon aannemen. Moeder had een slechte relatie met haar eigen moeder en dat stond haar nu in de relatie met haar dochter in de weg. De cliënte barste in tranen uit en was haast ontroostbaar. Ik heb haar alleen kunnen kalmeren door haar een tijdje in mijn armen te houden en te wiegen. Zoals een moeder zou doen bij haar kind. Dat maakte al duidelijk wat deze vrouw in haar leven gemist heeft. Vervolgens heb ik moeder op haar verantwoording gewezen, namelijk dat het nodig zou zijn om hiervoor in therapie te gaan. Twee jaar later verzocht de moeder via Bureau Jeugdzorg om heropname van haar dochter bij ons. Ze zei dat datgene waar zij aan moest werken te veel voor haar was. Ze legde het probleem niet neer bij haar dochter maar bij zichzelf. Dat is verantwoording nemen en daar heb ik veel respect voor.
Bij het werken met systemische diagnostiek moeten vooral de grenzen in acht worden genomen. Ik heb van de ouders geen opdracht of toestemming om met de achtergronden van hun systeem te werken. Onze opdracht is om te kijken wat het kind nodig heeft om zich verder te kunnen ontwikkelen. Daar ligt onze focus. De blik is altijd op het kind gericht.

Wanneer in een systemische opstelling blijkt dat het oorsprongssysteem erg zwak is zet ik er vaak een representant voor “de ouderbegeleider” naast, om te zien of dat een positieve uitwerking heeft op het oorsprongssysteem, dus meer kracht geeft, en hoe zich dat uitwerkt op het hele systeem.

En in hoeverre betrek je het nieuwe systeem van de sociale ouders, gezinsgroep of groepsopvoeders erbij?

Ena: daar geldt hetzelfde voor als voor het oorsprongssysteem. Ook hier heb ik geen opdracht om met hun persoonlijke achtergronden te werken. Wanneer zich hier dynamieken laten zien die om ondersteuning vragen zet ik er vaak een representant voor “de supervisor” naast om te zien wat dat voor een uitwerking heeft voor het geheel. Ik verwacht echter van professionele opvoeders wel dat er openheid en bereidheid is om indien nodig ook daadwerkelijk van supervisie gebruik te maken en zo eigen thema’s te bewerken. Indien dat niet zou gebeuren zouden de opvoeders werken met een blinde vlek en zo onbewust eigen thema’s op het kind projecteren. Dat zou tot verstoringen leiden waar uiteindelijk iedereen last van heeft.

Maken jullie ook van andere dan systemische diagnostiek gebruik?

Ena: zeker. Bij ons zijn veel kinderen opgenomen met ernstige psychische stoornissen en gedragsstoornissen. Soms zijn er al psychiatrische diagnosen gesteld, soms vragen wij er ook om. Ik ben een voorstaander van samenwerking en een ieder te erkennen op zijn eigen vakgebied. Met de systemische of sociaal-pedagogische diagnostiek kan veel in beeld worden gebracht ten aanzien van bindingen, relaties, loyaliteiten en ordeningen binnen het systeem. Maar met deze methode kan ik niet vaststellen of het kind PDD-NOS, een oppositionele gedragsstoornis of ADHD heeft. Beide vormen van diagnostiek kunnen elkaar wel aanvullen. Bij diagnostiek gaat het erom dat je je een beeld maakt. We maken ons steeds een beeld van iets en vaak werken we min of meer bewust met dit innerlijke beeld. Door middel van systemische diagnostiek maak je ook een beeld, maar een duidelijker beeld wat tegelijkertijd een ruimere blik geeft en daarmee meer handelingsmogelijkheden biedt. Je krijgt meer zicht op resourcen, hulpbronnen die kunnen worden aangeboord ter versterking van het kind en het systeem. Diagnostiek die alleen uit testresultaten en probleembeschrijvingen bestaat ervaar ik niet als bijzonder helpend. Het zelfde geldt voor hele lijvige rapportage. De essentie van waar het om gaat bij een kind en zijn systeem is meestal op enkele A-4’tjes te beschrijven.

Werken jullie ook met andere methoden, bij voorbeeld uit de gedragstheorie?

Ena: ik kijk altijd naar datgene wat dienend en helpend is. Bij voorbeeld: onlangs kwam een cliënte bij me. Haar 11 jarige zoon was op haar verzoek tijdelijk uit huis geplaatst en kwam één keer per twee weken een weekend op bezoek. Tijdens de bezoekweekenden liet hij hetzelfde gedrag zien als voor de uithuisplaatsing terwijl hij dat gedrag niet meer liet zien in de instelling waar hij geplaatst was. De cliënte vroeg wat zij kon doen om haar zoon tijdens de bezoekweekenden beter in de hand te houden. Ze kreeg van de instelling waar haar zoon was opgenomen wel ouderbegeleiding maar die had een wat analytische inslag. Volgens de cliënte ging de ouderbegeleider vooral in op de oorzaken die aan het gedrag van haar zoon ten grondslag konden liggen. Praktische pedagogische ondersteuning kreeg zij niet. De cliënte wilde echter niet bij de pakken neerzitten en vroeg of ze een opstelling kon doen. Naar mijn inschatting was hier eerst iets anders nodig, namelijk herstel van de ordening in het gezin, waarin moeder de leiding heeft en de zoon zijn kindplek kan innemen. Ik heb haar uitgelegd dat haar zoon haar tot nog toe alleen als moe en zwak heeft ervaren en het nu nodig is dat zij hem laat zien dat zij veranderd is. En dus is de cliënte naar huis gegaan met een “pedagogisch recept” waarin ook een beloningssysteem was uitgewerkt.

Ik denk dat vele theorieën iets hebben toegevoegd aan het geheel wat nuttig en bruikbaar is. Naar mijn idee is het belangrijk om steeds te kijken naar wat in een bepaalde situatie het meest dienend en steunend is aan het geheel en je daarmee steeds te verbinden.

Hoe kijk jij er tegenaan als er hoofdzakelijk gedragstherapeutisch gewerkt wordt?

Ena: Wat ik soms zie bij een dergelijke werkwijze is dat het lijkt alsof het structureren de plaats van de relatie, het contact heeft ingenomen. Er is dan veel structuur maar weinig liefde. Bij anderen zie ik soms werkwijzen waar de liefde, het contact op de eerste plaats staat maar er een gebrek is aan grenzen, aan structuur. Liefde heeft ook een kader, een ordening of structuur nodig anders wordt ze richtingloos en heeft geen kracht. Structuur zonder liefde is schraal en liefde zonder structuur verdampt. Het is dus belangrijk om zich dat bewust te maken. Kinderen hebben liefde én structuur nodig en niet het een óf het ander.
Enkele jaren geleden vroeg een moeder, zelf psychologe en gedragstherapeute advies aan mij in verband met steeds heftige boze buien van haar 10 jarige zoon. Ze vertelde van een situatie waarin haar zoon bezig was om een deur in te trappen. De cliënte stond ernaast maar greep niet in. Wel zei ze tegen haar zoon dat hij met een puntenaftrek had te rekenen en het verlies van bepaalde privilegiën. "Hoe zou jij gereageerd hebben?", vroeg de moeder later aan mij. Ik zou hem hebben vastgehouden, zei ik tegen haar, want als ouder moet ik ook de emoties van mijn kind bij me kunnen nemen, zelf voelen en ervaren en kunnen uithouden.

Heb je ook ervaring met het werken met kinderen die nog thuis bij hun ouders wonen?

Ena: Steeds meer ouders vinden de weg naar ons voor advies en begeleiding. Soms krijgen zij ook al in de thuissituatie intensieve ambulante hulp maar kan het gebeuren dat dit te weinig resultaat oplevert. Veelal zijn het dan de beroepskrachten of de instellingen waar de professionals werken die om consultatie vragen.

Bij het werken met ouders is het belangrijk om een accepterende, welwillende houding aan te nemen, die niet veroordelend is. Alleen zo laat zich een constructieve relatie opbouwen waarin vertrouwen kan groeien. Dat is ook dan nodig wanneer ouders in eerste instantie nog weinig gebruik kunnen maken van de hulp die wordt aangeboden.
Voor hulpverleners is het belangrijk om duidelijk te weten wat hun opdracht is, te weten wat hun taak is en wat zij van de ouders verwachten en ook mogen verwachten. Ouders vinden deze duidelijkheid prettig en ondersteunend ook al zeggen ze aanvankelijk dit vervelend te vinden of laten ze zich er denigrerend over uit. Voor hulpverleners is het belangrijk om met grenzen te werken, de eigen grenzen en die welke voortkomen uit hun taak. Wanneer ze zich hier niet bewust van zijn dreigt er voor de hulpverlener overbelasting, dat wil zeggen dat zij bij voorbeeld onbewust lasten uit het systeem op zich nemen. Dat heeft tot consequentie dat ze de ouder niet de volle last en verantwoording van hun eigen leven en lot toevertrouwen terwijl deze zijn leven al jaren draagt. Ze nemen iets van hen af en nemen het op hun eigen schouders. Dit verzwakt het hele systeem. Kracht heeft alleen wie het eigene draagt. Soms komt het ook voor dat ouders steeds proberen hun verantwoordelijkheden over te dragen op de hulpverlener en zo hem of haar heel groot maken. Dit is een valkuil voor hulpverleners. Pogingen van ouders om dit te doen moeten steeds met respect en achting terug gewezen worden. Soms is het ook zo dat de ouders een veelheid aan vragen en problemen aan de hulpverlener voorleggen. Dan is het belangrijk dat deze weer kijkt naar de grenzen van zijn opdracht en daarmee weer grenzen aanbrengt in het contact met de ouders.

Werk je ook samen met instellingen die vanuit een gedwongen kader werken, zoals bij een OTS of Raden van Kinderbescherming.

Ena: we weken veel samen met voogdij- en gezinsvoogdij instellingen. Zij plaatsen tenslotte de kinderen bij ons. In de loop der jaren is er een goede samenwerking ontstaan. Aanvankelijk werd nogal kritisch gekeken naar onze werkwijze, waarin we gebruik maken van de methode van de systemische opstellingen en ons “ganzheitliches” [integratief, het geheel omvattend] concept, waarin we uitgaan van het heel zijn en worden van de mens op het gebied van lichaam, hart en ziel. Echter, het succes van onze werkwijze spreekt voor zich. We hebben al sinds vele jaren niet meer te maken met crisissen bij de bij ons geplaatste kinderen, dus geen uitplaatsingen of overplaatsingen op basis van een crisis. We hebben er hard aan gewerkt en zijn ook best een beetje trots op deze goede resultaten.

Wat het werken met ouders en kinderen betreft verschilt onze werkwijze bij een gedwongen kader niet van een vrijwillig kader. Wel is soms de complexiteit groter en zijn er in sommige situaties veel helpers betrokken bij één cliëntsysteem. De helpersystemen en het cliëntsysteem kunnen elkaar soms ernstig beïnvloeden en elkaar verlammen. Dan is het nodig om zicht te krijgen in de beïnvloedingen en hoe zij op elkaar inwerken. Door middel van een systemische opstellingen kan in beeld worden gebracht welke dynamieken er spelen en hoe de systemen elkaar beïnvloeden. Doel is het om de professionals weer een ruimere en duidelijker blik op het geheel te geven van waaruit zij weer met meer kracht en doelgerichtheid kunnen werken. Dit komt natuurlijk ook direct het cliëntsyteem ten goede en werkt ook daar versterkend.

Daarnaast werken we ook in situaties waar het gaat om een omgangsregeling. De ouders hebben in hun paarrelatie zoveel pijn ervaren dat zij zich alleen nog negatief tot elkaar kunnen verhouden. De kinderen staan er dan tussen. In deze situaties proberen we te kijken naar datgene wat een ouder nodig heeft om meer vrede te vinden met de situatie zoals die is. En te bewerkstelligen dat het kind de ruimte krijgt ook met de andere ouder contact te hebben.

Ik geef regelmatig cursussen en seminars bij verschillende professionele instellingen, soms worden we ook individueel geconsulteerd over vragen rondom uithuisplaatsingen of terugplaatsingen, omgangsregelingen en dergelijke. Wat ik daarvan terug hoor van de professionals is dat zij het gevoel hebben hun werk niet alleen met plezier te doen maar ook weer vanuit hun kracht. En dat de inzichten en werkhypothesen ten aanzien van de cliëntsytemen doorgaans op een positieve manier hebben uitgewerkt.

Ena, je zou hier zeker nog veel meer over kunnen vertellen. Misschien kunnen we met dit onderwerp een volgende keer verder gaan. Voor nu dank ik je van harte voor dit gesprek.

Iris Pinkepank
Januari 2008